U bent hier: Home / Toolbox / Doen / Juridische informatie en procederen / Wet- en regelgeving / Nationaal / Natuurbeschermingswet 1998 (Vervallen)

Natuurbeschermingswet 1998 (Vervallen)

De Natuurbeschermingswet 1998 is vervallen en de Wet Natuurbescherming is sinds januari 2017 van kracht

Inleiding
Vergunning
Procedure vergunningverlenging
Vergunning Natura-2000 gebieden
Projecten en andere handelingen
Nieuwe projecten of andere handelingen
Plannen (artikel 19 j Natuurbeschermingswet 1998)
Toetsing van een vergunningaanvraag.
      Passende beoordeling
      Mitigerende of compenserende maatregelen en de passende beoordeling
     Alternatieven dwingende reden en compensatie
      Verslechterings- of verstoringstoets
Wanneer is er sprake van dwingende redenen van groot openbaar belang?
      Verplichte compensatie
Beheerplannen
Een beheerplan voor beschermde natuurmonumenten
Beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden
Procedure

Inleiding

De Natuurbeschermingswet 1998 biedt de juridische basis voor het Natuurbeleidsplan, de aanwijzing van te beschermen gebieden en landschapsgezichten, vergunningverlening, schadevergoeding, toezicht, handhaving en rechtsbescherming. De wet zal begin 2017 worden vervangen door de Wet natuurbescherming.

De Natuurbeschermingswet onderscheidt drie typen te beschermen gebieden:

  1. Beschermde natuurmonumenten die op grond van nationale criteria bescherming verdienen. Via de volgende link van het Ministerie van Economische Zaken kunt u nagaan welke gebieden beschermde natuurmonumenten zijn. De minister van EZ is bevoegd tot het aanwijzen van een dergelijk gebied.
  2. Natura 2000-gebieden, dit zijn de gebieden die op basis van de Europese Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. Het doel is de biodiversiteit in Europa te behouden en herstellen. Nederland draagt met 161 gebieden bij aan dit netwerk met een totale omvang van circa 1 miljoen hectare. In Nederland zijn de Natura-2000 doelen vastgelegd in het doelendocument. Dit is een beleidsdocument met doelen op zowel landelijk als op gebiedsniveau.
    Een gebied dat zowel beschermd natuurmonument was als Natura 2000-gebied is vandaag de dag alleen nog beschermd als Natura 2000-gebied.
    Voor het bereiken van de Natura 2000-doelen kent de Natuurbeschermingswet 1998 drie instrumenten:
    - de aanwijzing van natuurgebieden op basis van aanwijzingsbesluiten;
    - de uitwerking van de doelstelling in de beheersplannen (instandhoudingsdoelstellingen);
    - in een natuurgebied mag alleen een activiteit of plan worden gerealiseerd als daar een vergunning, voor is verleend (tenzij de activiteit gerekend kan worden tot het beheer van het gebied).
  3. Gebieden die op grond van andere internationale verplichtingen worden aangewezen, zoals Wetlands (op grond van het Wetlandsverdrag).

Zie ook onder Aanwijzingsbesluiten. Deze hebben in principe een onbepaalde looptijd. Op basis van evaluaties kunnen de besluiten wel worden herzien.

Vergunning

De Natuurbeschermingswet 1998 kent twee belangrijke vergunningen. De vergunning voor handelingen die invloed hebben op beschermde natuurmonumenten, en de vergunning voor handelingen die invloed hebben op Natura-2000 gebieden. Het kan dus zo zijn dat een vergunning vereist is voor handelingen die buiten het beschermde gebied plaats zullen vinden, maar gevolgen kunnen hebben voor de natuur binnen het gebied (externe werking).

Voor de beschermde natuurmonumenten is het verboden zonder vergunning handelingen te verrichten die schadelijk zijn voor de natuur in, of de natuurwetenschappelijke waarde van het gebied (art 16 Nbw 1998). Het bevoegd gezag (meestal de provincie) maakt voor de verlening van deze vergunning een afweging van alle betrokken belangen. De wet stelt geen specifieke voorwaarden voor het al of niet verlenen van deze vergunning.

Voor Natura 2000 gebieden geldt een vergelijkbaar verbod. De wetgever noemt daarbij ook nog specifiek handelingen die een 'significant verstorend effect hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.' Dit heeft te maken met de voorwaarde die de wetgever verderop in de wet stelt aan het bevoegd gezag voor het al of niet verlenen van een vergunning. Een vergunning voor een handeling die een significant negatief effect hebben mag in beginsel niet worden verleend, tenzij dat om dwingende redenen van groot openbaar belang noodzakelijk is. Dit wordt ook wel de 'nee tenzij formule' genoemd.

In een apart besluit (een AMvB op grond van artikel 16 en 19 d van de Natuurbeschermingswet) is de taakverdeling tussen Rijk en provincie opgenomen met betrekking tot vergunningverlening. In de meeste gevallen is de provincie, waarin het gebied ligt, het bevoegd gezag om vergunningen te verlenen en te handhaven.

Als er voor een activiteit niet alleen een Natuurbeschermingsvergunning nodig is, maar ook een omgevingsvergunning, wordt de laatste alleen verleend als de provincie (of het Rijk) een verklaring van geen bedenkingen heeft verleend.

Naast de Natuurbeschermingswet blijven beschermingskaders op grond van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) (ook wel Natuurnetwerk Nederland genoemd) en de Wro (bestemmingsplan, structuurvisie, etc.) gelden.

Procedure vergunningverlenging

In beginsel zijn gedeputeerde staten van de provincie bevoegd om de vergunning te verlenen, te wijzigen, in te trekken of te weigeren.

De aanvrager van de vergunning moet het belang van de aanvraag motiveren. De ontvangst van de aanvraag wordt schriftelijk bevestigd. Binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag moeten Gedeputeerde Staten beslissen. Deze termijn kan 1 keer worden verlengd.

Gedeputeerde staten zenden een afschrift van het verzoek om vergunning aan burgemeester en wethouders van de gemeenten waarin de handeling plaatsvindt. Zij kunnen binnen acht weken hun zienswijze naar voren brengen.

Van het besluit tot verlening (of tot wijziging of intrekking) van de vergunning wordt kennis gegeven in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze. Belanghebbenden kunnen hiertegen bezwaar indienen en vervolgens beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aantekenen.

Vergunning Natura-2000 gebieden

De Natuurbeschermingswet 1998, art. 19d,  bepaalt dat het verboden is om projecten of andere handelingen te realiseren die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen (die vastliggen in het Aanwijzingsbesluit voor het gebied) de kwaliteit van habitats en soorten in een Natura 2000 gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor het gebied is aangewezen (de zogenaamde kwalificerende soorten). De vergunningplicht geldt zowel in als buiten het gebied ("externe werking"). Of een effect significant is hangt ook af van de instandhoudingsdoelstellingen die in het beheerplan zijn geformuleerd.

Projecten en andere handelingen

Het begrip ´project´ wordt zo ruim uitgelegd, dat bijna elke handeling eronder valt. Er is sprake van een ´project´ bij de uitvoering van bouwwerken of de totstandbrenging van andere installaties of werken en ook bij andere ingrepen in het natuurlijk milieu of landschap, inclusief de ontginning van bodemschatten. Deze ruime definitie is afkomstig uit het Kokkelvisserijarrest (zaak C-127/02).

Bij de beoordeling van de vergunning houden gedeputeerde staten rekening met enerzijds de gevolgen die het project of de andere handeling heeft gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied en anderzijds met het beheersplan (art. 19e). De vergunningplicht geldt niet voor projecten en andere handelingen die worden uitgevoerd overeenkomstig het beheersplan.

Nieuwe projecten of andere handelingen

Deze categorie projecten wordt beoordeeld voor zover ze afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of handelingen significante gevolgen kunnen hebben voor het betreffende gebied. De initiatiefnemer maakt een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied (art. 19f Natuurbeschermingswet 1998).

De vergunning wordt bij nieuwe projecten alleen verleend als het bevoegd gezag zeker is dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet (significant) worden aangetast. Dit blijkt uit de passende beoordeling. Als er toch sprake is van een aantasting dan dient te worden beoordeeld of er alternatieve oplossingen zijn. Als er geen alternatieven zijn dan wordt de vergunning alleen verleend als er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en als er compenserende maatregelen worden getroffen (art. 19g Natuurbeschermingswet 1998), dit wordt de ADC-toets genoemd (Alternatieven-Dwingende redenen-Compensatie).

Plannen (artikel 19 j Natuurbeschermingswet 1998)

Ook plannen moeten worden getoetst op hun gevolgen voor een Natura 2000-gebied. Plannen die onder bepaalde omstandigheden goedkeuring behoeven zijn bijvoorbeeld bestemmingsplannen, waterhuishoudingsplannen, milieubeleidsplannen en reconstructieplannen. Er is een habitattoets nodig als de (uitvoering van de) plannen gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of verstorend effect kunnen hebben op de soorten.

Toetsing van een vergunningaanvraag

Voordat een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 aangevraagd wordt vindt meestal een vooronderzoek plaats. In deze fase overlegt degene die een project wil uitvoeren met het bevoegd gezag om vast te stellen of dat project mogelijk negatieve effecten zou kunnen hebben op nabijgelegen natura-2000 gebieden.

Afhankelijk van de uitkomst van dat vooronderzoek zijn er twee vormen van toetsing mogelijk om te bepalen of een aangevraagde vergunning verleend kan worden; de 'verslechterings- en verstoringstoets' en de 'passende beoordeling'. Welke van de twee gebruikt moet worden hangt af van de significantie van de te verwachten effecten.

Passende beoordeling

Is er kans op een significant effect, dan moet er door de initiatiefnemer een "passende beoordeling" worden uitgevoerd van de effecten, gespecificeerd naar alle habitats en soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Kan de passende beoordeling een significant effect niet uitsluiten (voorzorgbeginsel!), dan kan de vergunning alleen worden verleend bij ontbreken van alternatieven, om dwingende redenen van groot openbaar belang en als verzekerd is dat nadelige effecten (fysiek) gecompenseerd worden ("ADC-toets"). Zie voor deze criteria art. 19 e-h Natuurbeschermingswet 1998.

De vergunning kan ook worden verleend onder beperkingen en voorwaarden, om de effecten te beperken en significante effecten te kunnen uitsluiten.

Mitigerende of compenserende maatregelen en de passende beoordeling

In de passende beoordeling mogen mitigerende maatregelen worden meegewogen. Dit zijn maatregelen die er voor zorgen dat negatieve effecten worden opgeheven. Denk bijvoorbeeld aan het plaatsen van luchtwassers in een stal om te voorkomen dat ammoniak in het omliggende milieu terechtkomt en neer kan slaan in een Natura-2000 gebied. Een belangrijke voorwaarde voor een mitigerende maatregel is dat deze wordt uitgevoerd, en effectief is, voordat de schadelijke activiteit plaatsvindt (bijv. eerst luchtwassers plaatsen, dan pas de stal uitbreiden). Voor compenserende maatregelen geldt dit niet! compenserende maatregelen zijn maatregelen die er op gericht zijn om schade die ontstaat te herstellen of per saldo op te heffen door bijvoorbeeld elders een nieuw natuurgebied in te richten of een ander gebied te verbeteren. Het Europese Hof van Justitie heeft op 15 mei 2014 in de zaak Briels ea. een belangrijke uitspraak gedaan over het onderscheid tussen mitigerende en compenserende maatregelen.

Alternatieven dwingende reden en compensatie

Als uit de passende beoordeling blijkt dat een significant negatief effect te verwachten is geldt het zogenaamde 'nee, tenzij beginsel. De vergunning mag niet worden verleend tenzij er geen redelijke alternatieve oplossingen mogelijk zijn; het project om dwingende redenen van groot openbaar belang uitgevoerd moet worden. Verder moeten in dat geval aan de vergunning in ieder geval voorschriften worden verbonden die de uitvoerder van het project verplichten tot het nemen van compenserende maatregelen.

Verslechterings- of verstoringstoets

Is er wel een effect, maar zeker niet significant, dan wordt de vergunning verleend na uitvoering van een verslechterings- en verstoringstoets. Deze toets is minder indringend dan de passende beoordeling. Ook hierbij kunnen voorwaarden en beperkingen aan de aangevraagde activiteit worden gesteld.

In de praktijk worden verreweg de meeste vergunningen verleend, vaak onder voorwaarden. 

Hieronder is het systeem schematisch weergegeven.
Schema-Natuurbeschermingswet170111.png

De vergunning wordt in beginsel verleend door gedeputeerde staten (provincie). In het Besluit vergunningen Nbw 1998 is aangegeven voor welke projecten en handelingen de minister van Economische Zaken bevoegd is tot het verlenen van de vergunning. In alle overige gevallen dan in het Besluit vergunningen Nbw 1998 is Gedeputeerde Staten bevoegd. Zie verder de brochure Algemene Handreiking Natuurbeschermingswet 1998 van het voormalige ministerie van LNV (nu Economische Zaken).

Wanneer is er sprake van dwingende redenen van groot openbaar belang?

Voor het antwoord op deze vraag moeten twee situaties worden onderscheiden;

  1. Er komen in het betreffende Natura-2000 gebied geen prioritaire habitats of soorten voor (habitats of soorten die zijn aangewezen op grond van de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn omdat ze bijzondere bescherming nodig hebben);
  2. Er komen in het betreffende Natura-2000 gebied prioritaire habitats of soorten voor.

In de eerste situatie geeft de wetgever aan dat dwingende redenen in ieder geval ook redenen kunnen zijn van economische of sociale aard. Verder moet de reden genoeg gericht zijn op de lange termijn. Economisch gewin op korte termijn weegt bijvoorbeeld meestal niet op tegen de belangen van instandhouding van de natuurlijke waarden van een beschermd gebied op de lange termijn. In principe kunnen ook regionale belangen dwingende redenen van groot openbaar belang zijn, de kans hierop is bij nationale belangen natuurlijk wel groter. De regionale belangen moeten zwaarder wegen dan het (inter)nationale belang van de instandhouding van het beschermde gebied of de beschermde soorten om in aanmerking te komen.

In de tweede situatie geldt een nog strengere definitie. In dat geval kan alleen toestemming worden gegeven als de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid in het geding is of, als het project voor het milieu wezenlijke gunstige effecten heeft.

Alleen na (positief) advies van de Europese commissie kan om andere dwingende redenen van groot openbaar belang vergunning worden verleend.

Verplichte compensatie

Als een vergunning verleend wordt vanwege dwingende redenen van groot openbaar belang dan is de initiatiefnemer verplicht om compenserende en eventueel mitigerende maatregelen te nemen. Compenserende en mitigerende maatregelen worden in de vergunning opgenomen.

Waar moet de compensatie voldoen?

Compensatie is bedoeld om de negatieve gevolgen van een activiteit te neutraliseren. Compenserende maatregelen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit het inrichten van een nieuw gebied met dezelfde oppervlakte als het gebied dat verloren is gegaan, maar het kan bijvoorbeeld ook inhouden dat extra maatregelen worden genomen om een bestaand gebied verder te verbeteren dan wat de in de instandhoudingsdoelstelling is beschreven.

Er zijn een aantal basisvoorwaarden waar compensatie in principe aan moet voldoen;

  • de maatregelen moeten betrekking hebben op de natuurwaarden die geschaad worden;
  • de omvang van de compensatie moet in redelijke verhouding staan tot de omvang van de schade;
  • compensatie moet zoveel mogelijk plaatsvinden in de directe omgeving van het aangetaste Natura-2000 gebied. In ieder geval moeten de maatregelen betrekking hebben op dezelfde biogeografische regio (er moet een biologisch en geografisch verband zijn tussen het gebied waar de compensatie plaatsvindt en het aangetaste Natura-2000 gebied;
  • de maatregelen moeten voorzien in functies die vergelijkbaar zijn met het aangetaste Natura-2000 gebied.
  • heel belangrijk: het resultaat van de compensatie moet bereikt zijn op het moment dat de significante effecten optreden.

Beheerplannen

Beheerplannen zijn bedoeld om afspraken vast te leggen over het beheer van een natuurgebied, zodanig dat waardevolle natuur in het gebied in stand wordt gehouden of zelfs verbeterd. Dit gebeurt aan de hand van de instandhoudingsdoelstellingen, die bij de aanwijzing van het natuurgebied worden vastgesteld.

Voor de inwerkingtreding van de Natuurbeschermingswet 1998 waren er twee soorten beheerplannen: een beheerplan voor beschermde natuurmonumenten en een beheerplan voor de gebieden die zijn aangewezen als habitat op grond van de Habitatrichtlijn.

Inmiddels zijn de meeste gebieden (opnieuw) aangewezen als beschermd natuurgebied op grond van de Natuurbeschermingswet 1998. Voor een aantal gebieden loopt deze procedure nog. Voor de aangewezen gebieden moeten nieuwe beheerplannen worden opgesteld op grond van de Natuurbeschermingswet. Tot die tijd gelden nog de onderstaande plannen. 

Een beheerplan voor beschermde natuurmonumenten

Gedeputeerde staten kunnen voor de beschermde natuurmonumenten een beheerplan vaststellen in overeenstemming met de eigenaar en gebruiker van het gebied (art. 17 Nbw 1998). Het doel van het plan is het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis van een natuurmonument te behouden, herstellen of ontwikkelen.

De eigenaar en de gebruiker zijn verplicht om te zorgen voor de naleving van het beheerplan. De eigenaar en gebruiker ontvangen een subsidie voor die kosten die niet voor hun rekening hoeven te komen. Het rechtsgevolg van het beheerplan is dat geen vergunning is vereist voor schadelijke handelingen die in overeenstemming met het beheerplan worden verricht. Dat geldt bijvoorbeeld voor bestaande activiteiten, die in het beheerplan zijn opgenomen.

Een beheerplan heeft een maximale geldigheidsduur van maximaal zes jaar.

Beheerplannen voor de Natura 2000-gebieden

Er bestaat een verplichting tot het vaststellen van een beheerplan voor de Natura 2000-gebieden binnen een termijn van drie jaar na aanwijzing van het gebied.

Dit geldt ook voor de reeds aangewezen Vogelrichtlijngebieden, aangezien de aanwijzingsbesluiten voor deze gebieden worden gewijzigd. De Natuurbeschermingswet 1998 verplicht ertoe dat in alle aanwijzingsbesluiten de instandhoudingsdoelstellingen worden opgenomen en deze ontbreken in de aanwijzingsbesluiten van de als Speciale Beschermingszone aangewezen Vogelrichtlijngebieden.

Het beheerplan bevat de beleids- en beheermaatregelen die nodig zijn om de instandhoudingsdoelstellingen te realiseren van habitattypen en populaties van wilde dier- en plantensoorten. Bij de maatregelen wordt ook het bestaande gebruik in het gebied betrokken. Onder het bestaande gebruik wordt verstaan een activiteit die op het moment van de aanwijzing van een gebied bestond en sindsdien onafgebroken heeft plaatsgevonden. Voor het realiseren van plannen en projecten of het verrichten van handelingen overeenkomstig een beheerplan is geen vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet vereist.

Nieuwe projecten en andere handelingen maken geen deel uit van een beheerplan. Als uit een ecologisch onderzoek (verslechteringstoets) blijkt dat een nieuw project significant negatieve effecten heeft op de natuur in het gebied, is een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet vereist. Het beheerplan bevat het afwegingskader voor deze vergunningverlening.

Procedure

Het beheerplan wordt voor ten hoogste zes jaren vastgesteld door het bevoegd gezag en eventueel met eenzelfde termijn verlengd. Het bevoegd gezag  kan zijn gedeputeerde staten of de minister onder wiens verantwoordelijkheid het gebied wordt beheerd in overeenstemming met de minister van EL&I.

Het beheerplan wordt vastgesteld in overleg met eigenaren, gebruikers en andere belanghebbenden en met de besturen van gemeenten en waterschappen op het grondgebied waarvan de beheerplannen betrekking hebben.

Op de voorbereiding van het beheerplan is de procedure in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Belanghebbenden kunnen hun zienswijze over het ontwerp-beheerplan schriftelijk of mondeling indienen binnen zes weken nadat het ontwerp ter inzage is gelegd.

Alleen diegenen die zienswijzen hebben ingediend kunnen eventueel beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Een beroep heeft geen schorsende werking.

Opmerkingen

Wil je reageren? Meld je aan!