U bent hier: Home / Toolbox / Doen / Juridische informatie en procederen / Juridische basisbegrippen / Milieueffectrapportage

Milieueffectrapportage

Om het de milieubelangen bij de voorbereiding van grote ruimtelijke plannen en projecten goed te kunnen meewegen is het van belang de mogelijke gevolgen voor het milieu in een zo vroeg mogelijk stadium goed in beeld te brengen. Hiervoor is de m.e.r. procedure ontworpen.

Inleiding
Doel
Herziening m.e.r. wetgeving 2010
Zienswijzen
Bezwaar en beroep
Jurisprudentie

Inleiding

Om het de milieubelangen bij de voorbereiding van grote ruimtelijke plannen en projecten goed te kunnen meewegen is het van belang de mogelijke gevolgen voor het milieu in een zo vroeg mogelijk stadium goed in beeld te brengen. Hiervoor is de milieueffectrapportage (m.e.r.) ontworpen. Deze procedure is opgenomen in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer.

Op Europees niveau zijn richtlijnen vastgesteld voor de m.e.r., zowel voor plannen als voor projecten, die voor een belangrijk deel de Nederlandse procedure bepalen. De projectrichtlijn is onlangs herzien, zie Richtlijn 2014/52/EU (16 april 2014) tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU (13 december 2011). De wijzigingen worden verwerkt in de Nederlandse regeling. De Europese Richtlijn voor plannen en programma's wordt ook wel de SMB-richtlijn genoemd.

De afkorting m.e.r. wordt gebruikt voor de procedure voor het opstellen van een milieueffectrapport. Het rapport wordt aangeduid met de afkorting MER.

De m.e.r. procedure moet doorlopen worden voor plannen en besluiten die grote nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Zoals de aanleg van een jachthaven, een golfbaan, een megastal, een weg of spoorlijn, een woonwijk of bedrijventerrein. Vaak wordt een drempel gehanteerd, zodat alleen voor zeer grote projecten een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Bijvoorbeeld bij de aanleg van een jachthaven: meer dan 500 ligplaatsen.

In het Besluit milieueffectrapportage (te vinden via wetten.nl) zijn de activiteiten aangewezen waarvoor een MER verplicht is. Daarnaast bevat dit besluit een lijst van activiteiten waarvoor per geval door het bevoegd gezag onderzocht moet worden of een m.e.r. noodzakelijk is. Dit hangt af van de impact die een project op de omgeving heeft.

De onafhankelijke Commissie voor de milieueffectrapportage adviseert sinds 1987 de beslissingsbevoegde overheidsinstanties (zoals bijvoorbeeld ministeries, provincies en gemeenten, maar ook waterschappen). Op de website van de organisatie is veel informatie te vinden.

Voor ieder besluit is andersoortige informatie nodig. Het vaststellen van een bestemmingsplan voor de aanleg van een bedrijventerrein vraagt om andere gegevens over de effecten op milieu en natuur, dan bijvoorbeeld de verlening van een concessie voor gasboringen in de Waddenzee.

Ook voor uitbreiding of vestiging van een bedrijf kan het nodig zijn om een MER te maken. Pas daarna kan een omgevingsvergunning worden afgegeven. Deze verplichting kan ook gelden als een bedrijf op een ander bedrijfsprocedé wil overschakelen, wat een behoorlijke impact heeft op het milieu of op de natuur. De m.e.r. procedure is immers omvangrijk en tijdrovend.
Het idee waarop de m.e.r. berust, blinkt uit in eenvoud: zet eerst op een rij welke gevolgen een voorgesteld plan of project heeft voor het milieu, ga dan na welke alternatieven in aanmerking komen en milieuvriendelijk zijn, en neem pas daarna een besluit.

Doel

Het doel van de milieueffectrapportage is voldoende inzicht te bieden in de gevolgen van een voorgenomen plan of activiteit voor de omgeving. Bijvoorbeeld de waterkwaliteit, de luchtkwaliteit of de instandhouding van soorten en hun leefomgeving. Tevens worden mogelijke alternatieven geschetst en de gevolgen daarvan voor de omgeving. Door de voor- en nadelen van verschillende mogelijkheden naast elkaar te zetten wordt de besluitvorming over activiteiten rationeler en daardoor vergemakkelijkt.

Als gevolg van wetswijzigingen is de m.e.r. in de afgelopen jaren versoberd, waardoor het bijvoorbeeld niet altijd meer verplicht is om alternatieven te onderzoeken, of om het advies van de Commissie voor de m.e.r. te vragen. In de praktijk is wel gebleken dat het draagvlak vergroot wordt door dit wel te doen: hoe zorgvuldiger de besluitvorming, hoe meer vertrouwen er kan zijn.

Uitgebreide en beperkte m.e.r.

Op 1 juli 2010 is de regeling rondom de m.e.r. gewijzigd, hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer is daarvoor aangepast.

Tot de wetswijziging was er sprake van een plan-m.e.r. en een project-m.e.r.: daarna wordt ook onderscheid gemaakt tussen een uitgebreide en een beperkte procedure.

De beperkte m.e.r.procedure geldt voor diverse vergunningen waarvoor een besluit nodig is:

Zie voor meer gedetailleerde informatie artikel 7.24 Wet milieubeheer en ook hier op de website van de Commissie voor de m.e.r..

In alle overige gevallen, ook voor plannen, geldt de uitgebreide m.e.r.procedure. De gedachtegang hierachter is dat projecten die niet aan de bovengenoemde voorwaarden voldoen vaak grote ruimtelijke plannen zijn die een grote impact op de omgeving hebben. Bijvoorbeeld het vaststellen van een tracébesluit om de aanleg van een autosnelweg mogelijk te maken. De uitgebreide m.e.r.-procedure bevat daarom meer waarborgen dan de beperkte. Zo is het advies van de commissie voor de m.e.r. alleen verplicht in de uitgebreide procedure.  Zie verder hier.

Zienswijzen

In de beperkte procedure kan iedereen zienswijzen indienen zodra het ontwerp-besluit, met de aanvraag om vergunning en het MER bekend is gemaakt. Bij de uitgebreide procedure kunnen ook zienswijzen worden ingediend in de voorfase, over de vooraankondiging van een MER. Daarin is aangegeven wat de reikwijdte en het detailniveau zal worden van het MER.

Bezwaar en beroep

De m.e.r. is een verkennend onderzoek. Het wordt uitgevoerd voordat de beslissing worden genomen over een ruimtelijk plan of project. Dit kan bijvoorbeeld de vaststelling van een bestemmingsplan zijn of een omgevingsvergunning. Tegen die beslissing staat bezwaar en beroep open, maar niet tegen het MER op zichzelf. Het MER maakt wel onderdeel uit van de motivering van het besluit, zodat je in je bezwaar- en/of beroepschrift tegen het besluit ook op het MER of de gevolgde m.e.r.procedure kunt ingaan.

Jurisprudentie

Uit uitspraken van rechters kun je afleiden hoe wetsartikelen uitgelegd moeten worden. Ook blijkt daar bijvoorbeeld uit hoe overheidsbesluiten gemotiveerd moeten worden, en hoe zorgvuldig zij moeten worden voorbereid. Daarom kan het lezen van jurisprudentie nuttig zijn. Er vallen lessen uit te trekken.

Hieronder staat een aantal uitspraken, met de conclusies die er uit te trekken zijn. Ook op de website van de Commissie voor de milieueffectrapportage kun je jurisprudentie vinden.

ABRS = Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de hoogste bestuursrechter in Nederland.
VzABRS = Voorzitter ABRS
HvJ = Hof van Justitie van de Europese Unie.

  • ABRS 21 juli 2009, Circuit de Peel
    De rechter heeft in deze uitspraak bepaald dat bij het zoeken naar alternatieve locaties voor het motorcrosscircuit ook buiten de grenzen van de gemeente gekeken had moeten worden.
  • ABRS 23 juni 2010, bestemmingsplan Meerstad Midden, Groningen/Slochteren
    Deze uitspraak is interessant omdat er een heel scala aan milieu-aspecten aan de orde komt, zoals geluidhinder, luchtkwaliteit, waterkwaliteit, archeologische monumenten, hoogspanningsleidingen, bescherming van natuurgebieden, ecologische hoofdstructuur, flora en fauna. Daarnaast toetst de rechter ook of de m.e.r.procedure wel goed is doorlopen.
  • VzABRS 7 juli 2010, bestemmingsplan Ypenburg-Nootdorp
    De rechter constateert dat er voor dit bestemmingsplan geen m.e.r.plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht bestaat, omdat de drempelwaarden uit het Besluit milieueffectrapportage niet overschreden worden. Er kunnen echter ook nog andere factoren zijn om toch een m.e.r. op te stellen, die niet in het Besluit milieueffectrapportage staan. Deze criteria volgen uit Europese m.e.r. richtlijnen. De rechter verwijst hierbij naar een belangrijke uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 oktober 2009 (hieronder vermeld).
  • HvJ 15 oktober 2009, zaak C-255/08
    Het Hof van Justitie van de Europese Unie  heeft in deze uitspraak bepaald dat het huidige Besluit milieu-effectrapportage te weinig ruimte laat voor maatwerk bij de vaststelling of een milieueffectrapport (MER) gemaakt moet worden. Hieruit blijkt dat de Europese richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling (85/337/EEG) niet goed geïmplementeerd (vertaald) is in Nederlands recht. De drempelwaarden die in Bijlage II bij het Besluit milieueffectrapportage stonden klopten niet helemaal. Zie ook de volgende link.
  • ABRS 1 september 2010, nr. 200907893/1/M2, leghennenbedrijf Aa en Hunze
    Er was een MER verplicht om de aanvraag om een milieuvergunning voor het bedrijf te kunnen beoordelen. De rechter heeft hiervan gezegd dat er gebruik gemaakt kon worden van een oud MER, op voorwaarde dat het waar nodig op onderdelen geactualiseerd werd.
  • VzABRS 4 november 2010, Tracebesluit Rijksweg 74
    De Voorzitter van de Afdeling gaat in deze uitspraak in op de verhouding tussen een MER en een m.e.r.-plichtig besluit. " De voorzitter merkt allereerst op dat een milieu-effectrapport zelf niet een besluit omtrent een bepaald project inhoudt. Het rapport wordt opgesteld om voldoende milieu-informatie te verzamelen om tot besluitvorming over een project over te gaan. De in die besluitvorming (uitmondend in het tracébesluit) gemaakte keuze hoeft niet per definitie volledig overeen te stemmen met de in het milieu-effectrapport beschreven uitvoeringen van het project; zo'n eis zou betekenen dat het milieu-effectrapport zelf reeds een definitieve keuze over het project zou moeten inhouden."
    Ook in deze uitspraak gaat de rechter akkoord met een wat ouder MER, dat aangevuld wordt met actuele informatie. Verder is de uitspraak interessant vanwege de toetsing van een bestemmingsplan aan het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Opmerkingen

Wil je reageren? Meld je aan!